De eer.

Plaats van handeling: Vriezenveen, waar het Nederlands Kampioenschap 5 kilometer wordt verzwommen. Ik start in de leeftijdsgroep 45-54 jaar, die gelukkig samen met oudere en jongere Masters tegelijk te water gaat, anders is het helemaal zo’n klein groepje. De keien uit de 35-45 groep, Lam, Kuijlaars, Bregman, Broer en Zeijpveld zwemmen langzaam mijn leven uit. Ik weet dat het slimmer zou zijn te proberen in hun slipstream mee te zwemmen, maar mijn maag oordeelt dat het beter is dat niet te doen. Binnen de 200 meter vernauwt het landschap zich tot een fabriek waar ik naar toe zwem en een bocht waarachter ooit een brug moet opdoemen die vlak bij het keerpunt ligt. Langzaam beslaat mijn brilletje en wordt de wereld steeds kleiner. Ik overleg met mezelf of ik toestemming heb om te stoppen en iets aan het zicht te doen, maar krijg nul op het rekest. Stoppen in een wedstrijd is een doodzonde.
Ik zwem te dicht op de kant, haal mijn vingers open aan venijnige keitjes en bereik na zo’n 35 minuten het keerpunt, dat ik door het beperkte zicht bijna mis. Ik doe het in ieder geval beter dan de zwemmer die plots na het keerpunt zo’n 25 meter voor me opduikt. Hij is echt te ver door gezwommen en plotseling heb ik weer een richtpunt waar ik de gehele terugweg plezier aan zal beleven. Vlak voor de finish wordt mijn ritme nog verstoord door een veel te hard varende boot van de Reddingsbrigade, die het nauwe kanaal doet veranderen in een zee met windkracht vier. Ik brul iets onaangenaams naar de te hard varende boot en word onmiddellijk gestraft in de vorm van een krampaanval onder mijn rechter voet.

Even later bereik ik de finish vlak achter de enige voor mij eindigende zwemmer die ik nog niet genoemd heb, een 31-jarige Duitse poloer, die voor zichzelf uit wilde vinden of ie dit ook kon. Daar moet hij maar gauw mee stoppen want op deze manier verpest hij de markt.

Moe, met een langzaam opkomende rugpijn, rust ik uit van de vermoeienissen, in de wetenschap dat ik 8 minuten voor Mart van Lierop ben gefinisht, de tweede aankomende in mijn leeftijdsgroep. Ook weet ik dat ik waarschijnlijk geen kampioen geworden zou zijn als Donald Uijtenbogaart zou hebben mee gedaan, maar hij geeft de voorkeur aan de E.K. Masters in Mallorca.

Terwijl ik uitrust komt er een man op me af die me vraagt wat ik van de wedstrijd vind. Het is Jan Zomer, voorzitter van de organisatiecommissie. Ik zeg hem naar waarheid dat ik het erg naar mijn zin heb gehad, maar dat de keerpuntboot opvallender in het kanaal had moeten liggen, zodat er niemand per ongeluk te ver door zwemt, wat toch verschillende zeer ervaren zwemmers is overkomen. Als hij mijn naam hoort vraagt hij of ik in het verleden al eerder aan de langebaan in Vriezenveen heb deelgenomen.

Al pratend vinden we uit dat dit in de zestiger jaren het geval moet zijn geweest. En plotseling wordt er een luikje in mijn geheugen geopend. In 1967 eindigde ik als derde op de twee kilometer achter Tino Jansen en Jan van Schijndel. Ik heb er nog een foto van. Met achterover gekamd haar, een stropdas en beginnende bakkebaarden neem ik met een brede lach de prijs in ontvangst. Die lach kwam ongetwijfeld doordat ik juist die middag tot op achter mijn oren verliefd was geworden op Anke van der Veeken, met wie ik onder de door destijds befaamde textiel fabrikant Jansen en Tilanus beschikbaar gestelde goddelijke douches nog net niet had staan vrijen. Dat kwam dan weer door Jan van Schijndel, die Anke trainde. Om de haverklap kwam hij binnen lopen om te kijken of ik mijn handen wel thuishield van zijn fraai gevormde protégé.

Over de prijzen die destijds ter beschikking werden gesteld, valt ook nog wel wat leuks te vertellen. De eerste aankomende kreeg van Jansen en Tilanus een trainingspak, de tweede een handdoek en de derde een zwembroek, door de toenmalige zwemmers aangeduid als een “wolletje”, waarin je je niet vertoonde. Een van die handdoeken werd in 1965 veroverd door mijn oude zwemvriend Theo Schouten. Archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat deze handdoek tot ver in de negentiger jaren van de vorige eeuw als zodanig dienst deed en daarna als poetsdoek nog een tweede leven leidde, voordat hij rond het millennium in de vuilnisbak verdween.

Is het niet merkwaardig dat ook dit keer een meisje een belangrijke rol rondom de wedstrijd zou spelen? Terwijl de veteranen wachtten op de prijsuitreiking vroeg het meisje dat de medailles van onze leeftijdsgroep op een kussentje voor haar buik droeg bijna eerbiedig aan mij: “dit is zeker wel een hele eer hè”. Het overviel me. Niet een meisje uit het westen van ons land zou zoiets ooit zeggen. En ik, zeldzame zak, antwoordde routineus: “dat valt wel mee hoor, het is me wel vaker overkomen”. Maar natuurlijk is dat niet waar. Ik was die dag de enige zwemmer, die 34 jaar later door aardige Twentenaren, die decennia later weer de moeite hadden genomen een fijne dag voor slootzwemmend Nederland te organiseren, opnieuw werd gehuldigd. Dat is een eer. Er was een meisje van 13 of 14 jaar voor nodig om me dat met enige vertraging te doen beseffen. Er valt nog veel te leren.

Herman J. van Lienden, Rapido ’82, Haarlem.